Kierkegaard en 'Vertwijfeling'
In Søren Kierkegaards denken is “vertwijfeling” (in het Deens: “fortvivlelse”, vaak vertaald als “despair”) niet louter een psychologische neerslachtigheid, maar een existentieel en theologisch begrip dat te maken heeft met de verhouding van het zelf tot God. In zijn hoofdwerk The Sickness unto Death (1849) beschrijft hij vertwijfeling als de “ziekte waarvan men sterft” – een diepe staat van onvolledigheid en vervreemding van het ware zelf. Dit essay verkent de aard en de gradaties van vertwijfeling bij Kierkegaard, de relatie tot vrijheid en geloof, en de weg eruit. 1. De menselijke conditie als zelf Voor Kierkegaard is de mens primair een ‘zelf’ (Selv), een synthese van eindigheid (het lichamelijke, tijdelijke, empirische) en oneindigheid (het denkvermogen, de verbeelding). Het zelf is pas een echt zelf wanneer het zich verhoudt tot iets dat groter is dan het zelf: God. Als deze verhouding niet tot stand komt, ervaart men een gemis, een interne scheur: we zijn dan “niet in...